Het wekenfeest Sjaboeot is zo nauw verbonden met het Paasfeest dat het oorspronkelijk ook de naam Atseret (d.w.z. slot) draagt,1 welke niet te verwarren is met de slotdag van het Loofhuttenfeest: Chag Haätseret. De periode tussen Pesach en Sjaboeot wordt gekenmerkt door de graanoogst welke in deze jaargetijde in volle gang is. Oogst brengt blijdschap met zich mee want het verzekert het bestaan en continuïteit. Met name in landbouwsamenlevingen waarin men totaal afhankelijk was van oogst zal deze periode een vrolijke periode zijn geweest. Zoals Rabbijn de Vries (1870-1944) idyllisch omschrijft:

De lente is immers in het land en de graanoogst in volle gang. De natuur van Kenaän zingt haar morgenlied, de maaiers slaan met de sikkels in de halmen de maat erbij, en de bindsters bundelen vrolijk de garven als kransen bij het feest van de oogst.— Rabbijn Simon. PH. De Vries, Joodse Riten en Symbolen (Amsterdam: de Arbeiderspers, 1968), 135

Omdat de oogst zo verweven is met Sjaboeot wordt het boek van Rut – een vertelling waar eveneens de ‘oogst’ een belangrijk thema is – op de tweede dag van het Wekenfeest gelezen. Het boek begint met de woorden:

In de dagen dat de rechters het volk leidden, brak er een hongersnood uit in het land. Een man trok daarom met zijn twee zonen weg uit Beet Lechem in Jehoeda om een tijdlang in de vlakte van Moab te gaan wonen.— 1:1

Dit eerste vers uit Sefer Roet geeft aan dat dit verhaal zich afspeelt in de tijd van de Rechters (Sjoftiem). Het is onduidelijk door wie en wanneer dit boek is geschreven. Is het verhaal afkomstig van na de Babylonische ballingschap of is het verhaal gebaseerd op een oudere mondelinge traditie? Op deze vragen zal waarschijnlijk nooit een antwoord gevonden worden. In de vertelling komen drie hoofdrolspelers naar voren: Naomi, Roet en Boaz. Elk van deze drie spelen in een bepaald passage de hoofdrol. In de Joodse canon (Tenach) vinden wij het boek Roet terug in de laatste boekenbundel genaamd Ketoebiem (d.w.z. geschriften). De Joodse canon is onderverdeeld in heiligheid. Zo is het eerste stuk, de Tora, het meest heilig omdat HaSjeem direct spreekt tot mensen. In het tweede stuk, de Nebiiem (d.w.z. profeten), spreekt HaSjeem door mensen heen. In het derde stuk, Ketoebiem, spreken mensen tot HaSjeem. De Tenach staat dus niet in chronologische volgorde maar in volgorde van heiligheid. Qua vertelling vertoont het boek van Roet veel overeenkomsten met het eerste boek uit de Tenach: Beresjiet (Genesis). Beide boeken bespreken individuen in familiaire setting. Politiek speelt niet tot nauwelijks een rol in beide boeken. Van beide boeken wordt ook in Rabbinale kringen afgevraagd welke rol deze boeken spelen. Zo stelt Rabbi Isaac:

אמר רבי יצחק לא היה צריך להתחיל את התורה אלא מהחודש הזה לכם

— Rasji’s commentaar op Beresjiet 1:1

Rabbi Isaac vraagt zich hier af waarom de Tora, het boek van instructies en geboden, niet begint met het eerste gebod van Rosj Chodesj (Exodus/Sjemot 12:2).

Ook over het boek Roet vraagt Rabbi Zeïra (3e eeuw CE) zich af: Waarom is deze Megillah geschreven? Rabbi Zeïra beantwoordt deze vraag met:

Om ons te leren hoe groot de beloning is voor degene die liefdevolle daden verrichten.— Roet Raba 2:14

Er zijn vele overeenkomsten te vinden tussen het boek Roet en Beresjiet. Zo doet Boaz’ zegen aan Roet sterk denken aan de opdracht die Abraham ontvangt:

Meer dan eens is mij verteld over alles wat je voor uw schoonmoeder hebt gedaan na de dood van je man: dat je je vader en moeder en je geboorteland hebt verlaten en naar een volk bent gegaan dat je volkomen onbekend was.— 2:11

De Eeuwige zei tegen Avram: ‘Trek weg uit je land, verlaat je familie, verlaat ook je naaste verwanten, en ga naar het land dat ik je zal wijzen.— Beresjiet 12:1

Zowel het boek Roet als het boek Beresjiet zijn een proloog te noemen. Het boek Beresjiet beschrijft de voorgeschiedenis van Israël als natie. Hoe de geschiedenis van het volk Israël begon met familierelaties. Het boek Roet, eveneens een verhaal dat zich afspeelt in familiaire setting, is een voorgeschiedenis voor Israël als koninkrijk. Om deze reden sluit het boek ook af met de woorden Isjai verwekte Dawied (4:22) als verwijzing naar de grootste koning die het Joodse volk heeft gekend. De les die wij hieruit kunnen leren is dat men politiek (natievorming en koningschap) alleen kan baseren op normen en waarden die men leert vanuit het familieleven: liefde, compassie, trouw, geduld, etc. Om deze reden speelt het gezinsleven binnen het Judaïsme een essentiële rol.

Wending in het verhaal: Vertroosting van Naomi

Aan het einde van het boek Roet ontvangt Naomi van de Oudsten van de stad Beet Lechem de volgende, zeer opvallende, zegen:

De Eeuwige geve dat de vrouw die in hun huis komt zal zijn als Rachel en Lea, die beiden het huis van Israël groot hebben gemaakt, zodat ook u groot zult zijn in Efrata en uw naam in Beet Lechem zal voortbestaan. Moge uw huis worden als het huis van Perets, de zoon van Tamar en Jehoeda, en wel door de kinderen die de Eeuwige u bij deze jonge vrouw zal geven.— 4:11-12

Het verhaal krijgt aan het eind een plotselinge en onverwachte wending. Waarom maakt de tekst een verwijzing naar Perets en naar Tamar en Jehoeda? Een korte samenvatting van het verhaal van Tamar. Opvallend is dat het verhaal van Jehoeda en Tamar de vertelling van Joseef onderbreekt (Beresjiet 38:1-30). Jehoeda verlaat zijn broers en trouwt met een Kenaänitische vrouw (v. 2) en krijgt drie zonen: Eer, Onan en Sjela. De oudste zoon, Eer, sterft en zijn vrouw, Tamar, blijft als weduwe achter. Om te zorgen dat de naam van Eer niet verloren gaat, trouwt Tamar met de tweede zoon van Jehoeda, Onan. Maar ook deze zoon sterft. Jehoeda wil voorkomen dat Tamar trouwt met de jongste zoon, Sjela, omdat hij bang lijkt te zijn voor een vervloeking rondom Tamar:

Hij dacht namelijk: ik moet voorkomen dat hij ook sterft, net als zijn broers.— v. 11

Tamar verblijft vervolgens bij haar vader en blijft als weduwe achter. Wanneer zij geruime tijd later hoort dat Jehoeda in de regio vertoeft, verkleedt zij zich als prostituee om Jehoeda te verleiden. Als onderpand voor de beloofde betaling (geitenbokje) ontvangt Tamar de staf en de zegel van Jehoeda waarna zij vervolgens gemeenschap had met Jehoeda waar zij zwanger van werd (v. 18). Wanneer Jehoeda aan de betaling wil voldoen blijkt de lokale bevolking de ‘prostituee’ niet te kennen. Drie maanden later hoort Jehoeda dat Tamar zwanger is waardoor Jehoeda stelt dat zij verbrand moet worden vanwege ontucht (v. 24). Nadat Tamar de staf en zegel aan Jehoeda laat zien, zegt Jehoeda:

Zij is rechtvaardiger dan ik, want ik heb haar niet aan mijn zoon Sjela gegeven.— v. 26

Er zijn tussen het boek Roet en hoofdstuk 38 van Beresjiet een aantal opvallende overeenkomsten te noemen:

  1. In beide verhalen zien wij een vertrek uit het volk/broeders. In het Hebreeuws wordt in Beresjiet 38 het woord jered genoemd dat afdalen betekent. Voor het verlaten van Erets Jisraëel door een Joods iemand wordt eveneens deze bewoording gebruikt. Voor het gaan wonen in Israël gebruikt men het woord alia dat opgaan betekent. Het vertrekken uit Israël betekent een morele en spirituele verlaging. In het verhaal van Roet vertrekt Elimelech met zijn vrouw Naomi en zonen Machlon en Kiljon uit Beet Lechem naar Moab. Jehoeda verlaat op zijn beurt zijn broeders om te gaan wonen in Adoelam.
  2. In beide verhalen spelen de vrouwen een cruciale rol. Zowel Tamar als Roet sturen het verhaal.
  3. In beide verhalen sterven twee zonen: in Beresjiet 38 sterven Eer en Onan. In het boek Roet sterven Machlon en Kiljon.
  4. De vrouwelijke hoofdrolspelers Tamar, Roet en Naomi zijn allemaal weduwen. Naomi probeert Orpa en Roet weg te sturen met de woorden:

Ga terug mijn dochters, waarom zouden jullie met mij meegaan? Kan ik soms nog zonen krijgen die jullie mannen kunnen worden? Ga toch terug, want ik ben te oud voor een man.— Roet 1:11-12

  1. In beide verhalen is er sprake van een onconventioneel huwelijk. Bij Jehoeda zien wij een huwelijk tussen Tamar en haar schoonvader Jehoeda en bij Roet zien wij een huwelijk die tot stand komt door een transactie rondom land. De echte erfgenaam van het land, die in het verhaal anoniem blijft (v. 4:1, 3 noemt hem אַלְמֹנִי פְּלֹנִי), doet afstand van het land (v. 6).
  2. In beide verhalen voldoet het familielid niet aan zijn familiaire plicht. In Beresjiet trouwt Sjela niet met Tamar, en bij Roet is de anonieme erfgenaam אַלְמֹנִי פְּלֹנִי niet van plan te trouwen met Roet.

De reden dat zowel Tamar als Roet een kind willen verwekken is: הַמֵּת שֵׁם לְהָקִים (Roet 4:10). Het zijn de vrouwen in de verhalen die zich bewust zijn van hun morele plicht naar de overledenen toe. Om aan deze plicht te voldoen zijn zij bereid om tot het uiterste te gaan. Tamar laat zich prostitueren met haar eigen schoonvader en Roet bezoekt in de nacht Boaz om zich aan hem te geven:

Boaz at en dronk, voelde zich voldaan en legde zich te slapen tegen een hoop gerst. Toen kwam Roet in stilte naar hem toe, sloeg de deken aan zijn voeteneinde terug en ging liggen. Midden in de nacht schrok hij wakker, draaide zich om en zag een vrouw aan zijn voeteneinde liggen. ‘Wie is daar?’ vroeg hij. ‘Ik ben het, Roet’, zei ze. ‘Wilt u uw mantel over mij leggen, want u kunt voor ons als losser optreden.’— 3:7-9

Door aan Boaz te vragen de mantel om haar heen te slaan vraagt Roet Boaz om haar tot vrouw te nemen. Deze zelfde bewoording komt men ook tegen bij de profeet Ezechiël waar eveneens een zinspeling gemaakt wordt naar het huwelijk:

Ik kwam voorbij en zag dat je rijp was voor liefde, ik spreidde mijn mantel over je uit om je naaktheid te bedekken. Ik zwoer je trouw, ik sloot een verbond met je – spreekt de Eeuwige God – en je werd de mijne.— 16: 8-9

Deze twee dappere vrouwen, Roet en Tamar, kunnen als heldinnen worden gezien binnen de Joodse geschiedenis. Niet alleen omdat zij vrouw waren maar ook omdat zij weduwen waren en niet van Israëlische origine wat er voor zorgde dat hun positie niet makkelijk moet zijn geweest: Roet was een Moabitische en Tamar een Kanaänitische. Twee volkeren die er in de Tora niet goed vanaf komen. Desondanks zijn het de vrouwen uit deze twee volkeren die vorm gaan geven aan de Joodse geschiedenis. Het is juist in deze lijn waar het Davidische koningschap uit voortkomt.

Binnen de literatuur van de klassieke oudheid zien wij vaak eenzelfde patroon rondom de helden van verhalen. De helden uit de klassieke oudheid zoals Sargon, Oedipus, Heracles, Romulus en Remus, Cyrus, etc. delen allemaal hetzelfde soort verhaal namelijk het verhaal waarin zij door hun ouders te vondeling worden gelegd en worden opgevoed door mensen van een lage sociale status of soms zelfs door dieren zoals wolven. Deze helden zijn zich niet bewust van hun Koninklijk bloed en via omwegen weten zij desondanks toch op de troon te komen. Ook de Tenach lijkt dit soort verhalen te bevatten rondom Mosjee (Mozes) en Dawied. De oplettende lezer zal echter bij een analyse van de verhalen grote verschillen ontdekken tussen de Bijbelse helden en de helden van de klassieke oudheid. De Tora draait alles wat destijds als conventioneel werd gezien 180 graden om. Zo wordt Mosjee weliswaar door zijn eigen moeder Jochabed in een rieten mandje te vondeling gelegd maar hij wordt gevonden door de dochter van de farao. De ouders van de Bijbelse helden zijn vaak van een zeer lage sociale status, ook de verschijning van de persoon is onopvallend: Mosjee kon moeilijk spreken (Sjemot/Exodus 6:30) en Dawied was niet Sjmoeëels eerste keuze (1 Sjmoeëel 16:6). Helden worden niet geboren maar worden gevormd.

Zowel Tamar als Roet hebben loyaliteit naar hun aangetrouwde familie; het is Tamar die zich bewust is dat zij een kind moet krijgen om de naam niet verloren te laten gaan. Zoals de Tora stelt:

De eerstgeboren zoon die zij krijgt komt in de rechten van de overleden broer te staan, zodat diens naam niet uit Israël wordt weggewist.— Debariem/Deuteronomium 25:6

Ook laten beide vrouwen zich niet wegsturen en willen zij deel blijven uitmaken van de familie waar zij in getrouwd zijn. Uiteindelijk erkennen zowel Jehoeda als Boaz de goedheid in de vrouw met wie zij te maken hebben (Beresjiet 38:26, Roet 3:10). De overeenkomsten zijn onmiskenbaar en ook het laatste hoofdstuk van het boek Roet wil ons dit laten zien door te verwijzen naar Tamar en Jehoeda en hun kind Perets (4:11-12). Hierna zien wij een genealogie staan van Perets tot Dawied. Er zijn tien generaties tussen Jehoeda en Dawied welke begon met Tamar en waar de zevende generatie geboren wordt uit Roet. De kwaliteiten van Tamar en Roet – loyaliteit, vriendelijkheid – hebben ongetwijfeld bijgedragen in de vorming van de persoonlijkheid van Dawied. Daarnaast moeten deze vrouwen, kindloze weduwen en vreemdelingen, hebben bijgedragen aan nederigheid. Het was immers niet dat Dawied kon pochen met zijn stamboom als het gaat om afkomst. Ondanks dat kon Dawied wel trots zijn op de kracht, moraliteit en moed die beide vrouwen laten zien welke als voorbeeld kunnen dienen voor iedereen die een rolmodel wil zijn.  Koningschap ligt in liefde en trouw en dat grootheid ligt in hetgeen waar wij het minst verwachten.

  1. Talmoed Traktaat Pesachim 68b

Nieuwsbrief

Meld je aan voor onze nieuwsbrief en blijf op de hoogte.